Gerhaher: de boodschapper

Christan Gerhaher is een van de meest interessante liedzangers van dit moment. Op 17 november trad hij op in de kleine zaal met James Cheung als pianist. De Schubert-liederen in zijn programma werden uitzonderlijk goed vertolkt. Hier daarom de recensie van het laaste deel van het concert, de recensie van het gehele concert vindt u op www.duholdekunst.com

Het duo had de Heine-liederen uit Schwanengesang op het programma gezet, in de volgorde van de Schubert-uitgever (dus niet in de volgorde van Heine). Daardoor komt Der Atlas aan het begin te staan, wat ik niet zo prettig vind. Binnen de cyclus – die eigenlijk geen cyclus is – lijkt dan de climax veel te vroeg te komen. Dat was in dit geval ook binnen het lied het geval, want Gerhaher had aan het eind – mogelijk doordat hij niet helemaal bij stem was - minder volume dan aan het begin. Cheung ving dat een beetje op. Sowieso was Cheung – in feite zowel de tweede vaste begeleider van Gerhaher als leerling van Huber en Gerhaher - vaak een voorbeeldige begeleider. Hij speelde zoals Gerhaher zong, zonder zich op de voorgrond te plaatsen, daarbij echter de forti niet schuwend. Soms had ik het gevoel dat het iets te neutraal was, maar (Uiteraard mag je daarbij de vraag stellen hoe Schubertiaans forti op een moderne vleugel zijn, maar dat is een vraag die een andere keer behandeld zal worden.) Bij Ihr Bild was de opbouw echter prima, en Gerhaher wist het surrealistische dat ook in de tekst zit, goed te benadrukken. Das Fischermädchen was echter nog beter, doordat Gerhaher de luisteraar het idee gaf direct tot het meisje te spreken. In het deels merkwaardige Die Stadt – wat doet die visser in de boot van de protagonist? – weet Gerhaher goed de treurigheid van het middendeel te treffen en het einde had precies de juiste nadruk te geven. Am Meer met de bijtende ironie aan het einde was eveneens voorbeeldig en bij het laatste lied – Der Doppelgänger - wist Gerhaher de laatste woorden – terecht – iets klagends mee te geven waardoor zowel muzikaal als tekstueel het lied een klassiek mooi einde vond.


Daarmee waren we – leek het - aan het einde van een in het algemeen zeer goed concert aangekomen, dat op sommige momneten werkelijk zeer bijzonder en ontroerend was. Ziek of niet, Gerhaher was toch bereid tot een toegift. Het lied was zeer voor de hand liggend: Schwanengesang werd gepubliceerd met nog een lied dat niet bij de cyclus hoorde, Die Taubenpost. Nu is Die Taubenpost een van de mooiste Schubert-liederen, maar helaas wordt er zelden echt recht aan gedaan. De meeste uitvoerenden laten het bij de sfeer van de vrolijke pianobegeleiding en begrijpen de dubbele bodem van het lied niet of geven er in ieder geval geen hoorbare uitdrukking aan. De postduif is de boodschapper van het verlangen, maar gaandeweg het lied wordt steeds meer duidelijk dat het een kwellend verlangen is.
Gerhaher wist de ironie van het lied prachtig vorm te geven, onder meer door zich bij ‘kennt Ihr sie’ direct tot de luisteraar te wenden. Daarmee werd de tekst van Seidl bijna Heine. In de toegift liet Gerhaher nog meer dan tijdens het op zich al prachtig concert horen, dat hij een uniek talent is op het gebied van de liedkunst.

(Zie verder: www.duholdekunst.com)




De ondraaglijke lichtheid van Schubert

Recensie zondagochtendconcert 21 november 2017 Concertgebouw AVROTROS: 

Stabat Mater

Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. James Gaffigan
Groot Omroepkoor o.l.v. Martina Batič

Maartje Rammeloo; sopraan
Fabio Trümpy; tenor
André Morsch; bas


In het zondagochtendconcert werd - anders dan de vrijdag daarvoor - Schuberts Stabat Mater eenvoudig vooraf gegaan door Ives, zonder dat Boulanger daartussenin stond. Zo kwam het dat de klokken aan het eind van Ives derde symfonie die na enkele dissonante tonen toch harmonisch aansloten, me deden denken aan de uitvoering van twee dagen daarvoor. In de recensie van die uitvoering (hieronder), gaf ik al aan dat deze over het algemeen heel mooi was, maar dat hij zeker aan het begin geplaagd werd doordat de stemmen van de solisten niet in evenwicht waren. Aan het eind kwam dat echter goed en dat was op enkele momenten zo mooi, dat ik bad tot de God van Schubert – wie dat ook moge zijn – dat de tweede uitvoering vanaf het begin de kwaliteiten van het eind van de eerste zou hebben.


Largo

Het largo waarmee het werk opent, was meteen (weer) zeer indrukwekkend. De donkere tonen waarmee het opent (die die we daarna nauwelijks meer zullen horen) klinken in een fraai evenwicht, het koor zingt bijna instrumentaal maar met een uittekende dictie en alle klanken lijken  heel symfonisch met elkaar in evenwichtig. Het door Schubert aan het eind apart met piano aangegeven Nacht [Todes (f en >) -Nacht (p)] klinkt nog net iets meer afgescheiden van de rest van het woord, wat doet denken aan de zorgvuldigheid waarmee Schubert de woorden in zijn liederen benadrukt, gezongen door een uitstekende zanger.

Coloriet

De sopraansolo waarmee Maartje Rammeloo daarna vervolgde, is – toegegeven – niet gemakkelijk, vooral door zijn plaats in het werk. Wanneer je een paar minuten na de aanvang van het werk meteen een aria moet zingen die zowel een dramatische tekst heeft als een zeker terughoudendheid verlangt, is dat wel heel veel gevraagd. De aanval is de beste verdediging, denken veel zangers op zo’n moment, maar de subtiliteit wordt daar dan het slachtoffer van. Een te sterke benadrukking van de dramatiek geeft hier de tekst echter iets melodramatisch. Rammeloo wist anders dan vrijdag vrijwel van de eerste maat het accent juist op de zachtere emoties te leggen, waardoor ze mij meteen diep raakte. De prachtige lyrische tonen, pianissimi en de enkele triller kregen extra diepte door de niettemin soms aanwezige dramatische accenten en dat leverde een onweerstaanbare combinatie op. Vanaf dat moment zat ik gekluisterd aan mijn stoel en luisterde verder naar het niet alleen muzikale maar ook emotionele coloriet. 

Pièce de résistance 

Het andante klonk voor mijn gevoel net weer iets minder naar het Duitse volkslied, of begin ik het meer met Schubert te associëren dan met Duitsland? Het pièce de résistance voor deze uitvoering, zou het allegretto worden, een sopraan-tenor duet. Vrijdag ontbrak het hier aan evenwicht, waardoor de tenor Trümpy muzikaal in de verdrukking kwam. Zou het deze keer wel goed gaan? Het evenwicht is sowieso afhankelijk van de stemcombinatie moeilijk te vinden, doordat de hoge sopraannoten al erg opvallend klinken vergeleken met de vele middennoten van de tenor. Deze keer echter klonk het duet volkomen anders. Rammeloo wist het ook in de partituur voorgeschreven piano waar passend aan te houden en daarmee werd het een duet, waarin ieder van de beide stemmen alleen dan sterker hoorbaar was, wanneer tekst en muziek dat vereisten. Het effect daarvan was ook meteen duidelijk: net als de sopraansolo aan het begin, raakte het op een emotionele en bijna fysieke manier. De lichtheid, die mijns inziens kenmerkend is voor dit werk en grotendeels ook voor Schubert, werd bijna ondragelijk omdat het een lichtheid is, die een paradox bevat die ook in de tekst zit. Daarin wordt van een dubbel vreugde bij een diep leed verhaald: de vreugde die de engelen voelen bij de vreugde die Jezus – stervend – aan Maria en Johannes geeft. De sopraansolo aan het begin heeft in wezen dezelfde sfeer, ook al verschilt de tekst nogal qua karakter. Het daaropvolgende larghetto vormde een prachtige verbinding tussen het duet en de tenoraria en verwijst deels naar deze laatste. Vooral de koperblazers klinken prachtig. 

Wunderlich

Trümpy was – dat hoorden we al in het duet – nu in een uitstekend vorm en wist in zijn aria veel meer dan vrijdag met verschillende klankleuren en dynamiek de tekst de diepte te geven die deze had wanneer de uitvoering je de kans geeft om erover na te denken. Hier klonk een Trümpy – die vooral in zijn kwetsbaarheid deed denken aan het laatste concert van Fritz Wunderlich. Die kwetsbaarheid was echter emotioneel, niet muzikaal, want de stem functioneerde prima. 

Het Allegro maestoso klonk weer prachtig en bracht weer wat donkere tonen terug, die in dit werk zo zelden aanwezig zijn, maar legt het accent nog meer dan vrijdag op de hogere tonen, die verwijzen naar de hemel. Het laatste ‘droben’ klinkt nu nog mooier. 

Na een stilte die erg belangrijk was vanwege de verschillen tussen de beide delen qua sfeer, bleek ook Morsch zijn aria nog net iets beter te zingen dan vrijdag. Weer met een bijna instrumentaal gebruik van zijn stem die hem alle vrijheid bood om de tekst – zo belangrijk bij Schubert – alle aandacht te geven. Het daaropvolgende maestoso was net als vrijdag gewoon heel goed. Gedurende het gehele concert viel ook het Groot Omroep Koor op, dat zich al bijna net als Morsch instrumentaal te dienste stelde aan de dirigent en aan Schubert. 


Terzetten

De beide terzetten waren deze keer geen hoogtepunt in die zin, dat de vocale uitvoering door de solisten voor het eerst echte perfectie bereikte. Die werd daarvoor al bereikt, al in de sopraansolo aan het begin en op vele momenten daarna. Hij werd echter zeker ook in de terzetten bereikt, en in die zin was het toch een hoogtepunt. Het was alsof alles wat daarvoor zo indrukwekkend was nog eens herhaald werd, met een accent. Trümpy is met name in het eerste terzet erg indrukwekkend, maar daar doe ik de andere uitvoerenden misschien een beetje tekort mee. Rammeloo wete nu in haar terughoudendheid prachtige lijnen neer te zetten en Morsch heeft nu misschien een iets minder dankbare rol, maar vervult die uitstekend. In de laatste pianissiminoten weet Rammeloo me diep te raken.

Voorbij

Maar dan is er ineens het allegro maestoso en het besef dat het alweer bijna voorbij is. Dit laatste deel klonk echter weer mooier en zekerder dan vrijdag, er was een mooiere lijn naar het einde toe, naar die merkwaardige laatste noot die ons met een onbeantwoorde vraag achterlaat. Maar meer dan dat was er het besef een heel bijzondere uitvoering te hebben meegemaakt waarin koor, orkest en solisten vaak één instrument leken. Een uitvoering waarvan je mag hopen dat deze in de een of ander wijze beschikbaar blijft.

Dré de Man


* Ook deze uitvoering heb ik thuis beluisterd. De omstandigheden lieten niet toe dat ik naar Amsterdam reisde. Misschien heeft u het in de zaal iets anders gehoord, zeker wanneer u achterin zat. De opnametechnici hebben namelijk uitstekend werk verricht, zodat via een goede installatie werkelijk alles heel fraai te horen was. Zelf heb ik door de gebruikte apparatuur een zeer gedetailleerde en neutrale weergave gehoord. Het digitale signaal van Ziggo werd met een Meridian DA-converter in analoog omgezet, versterkt met een Aura klasse A-voorversterker, B&W MPA-1 eindversterkers, B&W Matrix Mk3 luidsprekers met bass alignment filter en beluisterd in een zeer grote ruimte.


Schuberts Stabat Mater; beschrijving van het werk.

Zowel vrijdagavond 10 als zondagochtend 12 november werd Schuberts Stabat mater uitgevoerd. AVROTROS zond beide concerten uit. Dat is bijzonder om meerdere redenen.

Allereerst horen we Schubert’s religieuze muziek zelden. Er is geen religieuze Schubert-traditie. Dat zal er ongetwijfeld ook mee te maken hebben, dat Schubert in zijn missen weigerde om het geloof in het heilige Katholieke kerk te bevestigen. Hij liet de betreffende tekst in het Credo gewoon weg. Je kunt je niet aan het gevoel onttrekken, dat Schubert veel meer werd gemotiveerd door de menselijke liefde dan door de goddelijke liefde. Schubert was in dat opzicht het tegendeel van Bach: Schubert schreef niet voor God, maar uit een innerlijke noodzaak.

Schuberts religieuze werken zijn ook geen staand repertoire, omdat andere werken van hem Schubertiaanser zijn. Toch, wie goed luistert naar zijn religieuze werken hoort daar vaker Schubert in dan algemeen wordt aangenomen. Je hoort er niet of nauwelijks motieven uit liederen in. Maar dat wat Schubert zo toegankelijk maakt, de aangenaam bescheiden en weinig opdringerige, in wezen merkwaardige mengeling van vrolijkheid en weemoed, die hoor je ook in zijn religieuze muziek. Af en toe klinkt er ook iets van het genie van Schubert en vaak zijn er prachtige en zeer zingbare aria’s voor de solisten.

De boodschap van het Stabat mater is nauwelijks vrolijker dan die van de Winterreise. Bij een Stabat mater gaat het vooral om het leed van de moeder die haar zoon verliest. Maar Schubert laat een groot deel van de tekst voor wat hij is en weet vooral die stukken eruit te kiezen die hem een kans geven er een verbazingwekkend licht geheel van te maken.

De delen

1.       Het werk opent met een kort maar statig en ernstig largo, waarin het koor de tekst zingt die beschrijft hoe Christus’ bebloede hoofd in de nacht van de dood zinkt. Dat is meteen ook zowel muzikaal als tekstueel het meest trieste deel van het werk.

2.       Daarop volgt een prachtige sopraansolo, die verhaalt hoe een zwaard het bange hart van de moeder doorstak. Ondanks de dramatiek van de tekst klinkt een merkwaardige lichtheid in de aria door. Dat komt enerzijds door het vaak wiegende karakter ervan, maar ook door de hoge ligging. 

3.       Het daaropvolgende andante is weer voor het koor. In onze oren klinkt dat merkwaardig, want maar weinigen zullen ernaar kunnen luisteren zonder ‘Deutschland, Deutschland über alles' te horen. Maar Duitsland als staat bestond toen nog lang niet en toen was het nog een loflied op Keizer Franz II  van Oostenrijk - of van het Heilige Roomse rijk der Duitse Natie. Of Schubert er de keizer mee wilde eren, of Haydn – die het geciteerde thema schreef - weten we niet zeker, maar gezien de politiek signatuur van Schuberts vrienden is het eerste minder waarschijnlijk. Niettemin is het mooie, statige muziek, die ook iets lichts heeft.

4.       Die lichtheid vinden we in nog sterkere mate terug in het allegretto, een sopraan-tenor duet dat enigszins doet denken aan de sopraan-aria. De troost die Johannes en Maria aan het kruis vinden, wordt door Schubert heel dansant uitgedrukt en doet enigszins denken aan Schuberts tweede mis (in G, D 167).

5.       Het daaropvolgende larghetto voor het koor is qua tekst beduidend triester, maar vooral troostend. Er zijn alleen blazers, het begint met fluit en hobo maar vooral de drie trombones weten verderop in het larghetto een bijzonder sfeer op te roepen, alsof de hemel roept.

6.       De tenoraria daarna (adagio) begint met een klagende hobo. De tekst is enigszins merkwaardig en stelt de vraag wat we gevoeld zouden hebben als we erbij geweest waren. Het levert een bijna filmische scène op, maar vooral mooie muzikale momenten.

7.       Allegro maestoso staat er boven het volgende koordeel. Het verhaalt over de hemelse erfenis die de gelovigen aan Gods troon boven ten dele zal vallen. Het begint ernstig en zwaar in celli en (contra-)bassen maar wordt fugatisch steeds lichter. Het keert naar het eind nog even terug naar het donkere begin maar eindigt triomfantelijk met ‘droben’ in de hemel.

8.       De daaropvolgende bas-aria lijkt me erg geschikt voor bariton Morsch.  Die tekst gaat nu ook letterlijk over de lichtheid van het bestaan: het juk dat de volgers van jezus moeten dragen is licht.

9.       Het daaropvolgende maestoso laat het koor vooral de lof zingen van Jezus die stervelingen uiteindelijk tot zich roept. De koperblazers onderstrepen de statigheid.

10.   Het werk besluit (bijna) met twee terzetten: het eerste een allegro moderato met zeer aanstekelijk melodieën die het eeuwige geluk onderstrepen.

11.   Het tweede terzet klinkt soms als een terzet uit een Mozart-opera, maar dan langzamer. Het koor maakt het statiger.

12. Het twaalfde deel is qua tekst is het nogal eenzijdig: het bestaat uitsluitend uit het woord amen. Dit wordt zeer vaak en op een zeer aanstekelijk en uiteindelijk vrolijke manier herhaald. Op zich allemaal vrij logisch voortvloeiend uit de rest van het stuk, maar de laatste noten zijn dat niet iets minder. Helemaal aan het einde moduleert Schubert waardoor het laatste amen geen geruststellende bevestiging is, maar een vraag oproept. Hier zijn we na alle lichtheid toch weer in de denkwereld van de Winterreise beland.

(Dré de Man)


Korte recensie concert zaterdag, gebaseerd op de radio-uitzending


Kort voor de uitzending was dirigent James Gaffigan te horen over het werk. Zijn meest opvallende uitspraak was wel dat Schubert voor hem de belangrijkste componist was. Ook hij vergeleek het werk met een Mozart-opera en vond de instrumentatie opvallend (mooi).

Gaffigan had niet hoeven vertellen hoe hij over de instrumentatie dacht, want dat was duidelijk hoorbaar. Hij wist de bijzondere klanken van dit Stabat mater zeer goed te mengen en te doseren, zodat nergens een accent klonk dat niet in de lijn van de partituur leek te zijn. Deze indruk overheerste al in het largo waarmee het werk opent. Ook het groot omroepkoor voegde zich zeer fraai in dit klankbeeld, ongetwijfeld deels dankzij Martina Batič.

Schubert of niet?

Maartje Rammeloo begint haar sopraan-aria heel mooi. Haar stem past ook goed bij de hobo. Al snel klinkt er echter wat teveel dramatiek en te weinig lyriek. Nodig was het niet want Gaffigan en Schubert houden de orkestklank binnen de perken. Er ontbrak troost, en daarmee was het  - in ieder geval naar mijn smaak – niet echt Schubert.
Het andante klonk weer fraai en evenwichtig, maar in het daaropvolgende sopraan-tenor duet is dat evenwicht er niet. Rammeloo begon bijna forte terwijl in de partituur piano staat en de instrumentatie ook heel weinig opdringerig is. Tenor Trümpy hield zich wel aan de partituur en daarmee was de balans zoek. Het larghetto is weer prachtig en de doet de onevenwichtigheid van daarvoor helemaal vergeten. In de daaropvolgende tenoraria laat Trümpky horen dat hij helemaal niet zo’n kleine stem had, als tijdens het duet leek. Qua expressie kopte het ook goed bij tekst en muziek. Het allegro maestoso drukt precies de juiste vrolijke lichtheid uit, die het mijns inziens zou moeten hebben. Bariton Morsch lijkt de ideale invulling voor baspartij. Zonder enige geforceerdheid brengt hij rustig maar toch expressief alle noten van hoog tot laag hoog overtuigend over het voetlicht.

Terzet

Dat weet hij ook bij het terzet vast te houden. Aan het begin ontbreekt het evenwicht tussen de solisten, maar gaandeweg komen ze dichter bij elkaar. Tenor Trümky voelt zich nu waarschijnlijk minder opgejaagd en klinkt net als in zijn aria, Morsch eveneens en Rammeloo wisselt haar forte in voor opeenvolging van mezzo-forti en pianissimi, waarbij ze ineens blijkt te beschikken over betoverend zachte en mooie klanken. Zou ze zo vanaf het begin hebben gezongen, dan zou ze het werk bijna ideaal vertolkt hebben. Het amen aan het eind klinkt veel gevarieerder dan je op grond van de partituur zou denken en daarmee weet dirigent Gaffigan het werk zeer overtuigend en zelfs aangrijpend af te sluiten.


Hoe dan ook was het een zeer goede en aangrijpende uitvoering die de sterke punten van dit werk overtuigend liet horen. De solisten zongen over het algemeen prachtig; Morsch gedurende het hele concert terwijl Rammeloo aanvankelijk wat onbalans in de uitvoering bracht.  Toch zong Rammeloo in de terzetten zo mooi, dat je haar dit graag zou willen vergeven. Ik ben erg benieuwd naar de uitvoering van zondag, want wanneer de solisten de sfeer van de terzetten vanaf het begin weten op te roepen, zal het een weergaloze uitvoering worden. Nu was hij gewoon al heel erg mooi, maar gezien al het goeds wat ik al gehoord heb, hoop ik zondag toch op een klein wonder. Ives en Boulanger klonken overigens ook mooi – maar zoals Gaffigan al voor het concert aangaf, staat Schubert toch op de eerste plaats dus doen we er verder het zwijgen toe.

(Dré de Man)

 

* Ik ben me bewust van de mogelijk verschillen tussen de klank in de zaal en die thuis. Daar moet echter bij opgemerkt worden, dat ik door de gebruikte apparatuur een zeer gedetailleerde en neutrale weergave gehoord heb. 

 


Schubert Stichting 2018

Het afgelopen jaar heeft de Schubert Stichting om uiteenlopende en onvoorziene redenen geen activiteiten ontplooid. Er worden nu plannen gesmeed om met een grotendeels nieuw bestuur in 2018 Schubert de aandacht te geven die hij verdient. Ook de site - die dringend aan een onderhoudsbeurt toe was - wordt aangepast. Meer daarover na de vergadering van het huidige bestuur op 17 november. U kunt nu al aan de toekomst van de Schubert Stichting medewerken, simpelweg door via een eenvoudige mail aan aan te geven dat u op de hoogte wil blijven van de activiteiten van de Schubert Stichting. 

Over het verleden: Sinds 1995 realiseerde de stichting tien masterclasses o.l.v. Robert Holl, bas en Rudolf Jansen, pianist waaraan 148 zangers en pianisten deelnamen, afkomstig uit 26 landen. Gereputeerde zangeressen zoals Elly Ameling, sopraan, Jard van Nes, mezzosopraan en Charlotte Margiono, sopraan gaven gastcolleges, met een muzikale en tekstuele analyse van respectievelijk Schubert-, Mahler- en Straussliederen.