Schubert en de Romantiek

De politieke en sociale achtergrond, die voor Beethoven nog zeer belangrijk was, had voor Schubert veel minder betekenis, ten dele omdat tussen 1815 (Congres van Wenen) en 1828 (Schuberts sterfjaar) een periode van betrekkelijke rust op staatkundig gebied was ingetreden en vooral omdat Schuberts temperament minder gevoelig was voor het wereldgebeuren.
Een fundamentele karaktertrek bij de mens en kunstenaar Schubert was zijn tot zichzelf en de eigen kring beperkte geesteswereld. Met Beethoven had de Romantiek een universele en verheven klank gekregen; Schubert zou haar een toon geven die op de afzonderlijke mens is afgestemd. Beethoven inspireerde zich op de 'vrijheid' en de 'liefde' (Fidelio), Schubert vergenoegde zich met gevoelens die, concreet en zonder wijsgerige veralgemening, in bescheiden intimiteit werden gekoesterd. Pas op het einde van zijn leven, bij de ziekte en dood van Beethoven, die Schubert diep hebben getroffen, en onder de indruk van zijn eigen ziekte, onderging Schuberts gemoedsleven een verruiming en verdieping. De vroegere lieflijke weemoed werd een oprechte smart (Winterreise), die dan niet meer louter autobiografisch is, maar een uitdrukking van algemeen menselijke eenzaamheid. Schubert behoort, naar conceptie, muziektechnische kenmerken en expressie, tot de componisten van de vroeg-romantiek, al vindt men in enkele werken uit zijn sterfjaar, o.a. de Winterreise, een dusdanige verdieping van toon, dat van een aankondiging van de hoog-romantiek mag worden gesproken. Naar conceptie overheerst het lyrische met idyllische ondertoon, d.w.z. hoofdzakelijk beschouwend, met weinig beeldende elementen (uitzonderingen, zoals de acterende ballade Erlkönig en diverse andere ballades, niet te na gesproken).
Naar de vorm is Schubert een typische liedcomponist, ook in instrumentaal werk, nl. met lange melodieën of thema's, voorkeur voor integraalthematiek (behalve in de 'Onvoltooide' symfonie) en neiging om grote architecturen samen te stellen uit de samenvoeging van afzonderlijke geledingen, die vaak op liedstructuur berusten. Naar melodie schept hij, in zijn instrumentale werk, een zichzelf verjongende zinsbouw, uitgaande van een beknopte melodische hoofdgedachte, die door steeds nieuwe omspelingen en verruiming van intervallen wordt voortgestuwd, terwijl hij in de liedkunst van versierende naar declamatorische zangstijl evolueert.
De harmonisatie en orkestratie zijn van een evenwichtige, nooit vermoeiende plastiek, soms met expressieve functie. De stemvoering is grotendeels homofoon.

Vorige pagina  Volgende pagina