Werken

Liederen

In de liedkunst heeft Schubert zijn historische zending vervuld: hij heeft het Duitse romantische lied definitief gestalte gegeven. Het berust op een intieme toon, een beknopte, overzichtelijke vorm en samenwerking van zangstem en instrumentale omlijsting, om de diepere zin van de tekst intense uidrukking te geven. Wat de vorm betreft is een ontwikkeling waar te nemen van het streng gebonden en strofische (Das Wandern, nr.1 van de cyclus Die Schöne Müllerin) naar het vrijere, soms zelfs doorgecomponeerde lied (Der Doppelgänger, nr. 13 uit de cyclus Schwanengesang). Daarnaast zijn ook de gevarieerd strofische liederen talrijk (Der Jüngling am Bache).
Naar inhoud gaat de evolutie van volkse inspiratie en natuurgevoel (Wohin, nr. 2 van Die schöne Müllerin) naar het strikt persoonlijke en verinnerlijkte (Die Krähe, nr. 15 van de cyclus Winterreise). De instrumentale begeleiding, aanvankelijk vooral ondersteunend en begeleidend (Heidenröslein), verkrijgt later vaak een natuurgevoelig karakter (Die Forelle, waar zij het gemurmel van het water weergeeft), om ten slotte een beeldende, dramatische functie te verwerven en hier en daar zelfs in dialoog te komen met de zangstem (Der greise Kopf, nr. 14 uit Winterreise). In de oudste liederen overheerst de tekstsynthese, waarbij de melodie in haar geheel de gevoelsinhoud van het vers samenvat (Gretchen am Spinnrade); in jongere liederen doet Schubert aan tekstanalyse, d.w.z. dat afzonderlijke muzikaaltechnische middelen bepaalde zinsneden, literaire beelden of afzonderlijke woorden illustreren (Die junge Nonne, Am Meer, nr. 12 uit Schwanengesang of Letzte Hoffnung, nr. 16 uit Winterreise). Tot de tekstillustrerende muzikale elementen behoren: bijzondere melodische intervallen, agogische accenten, bepaalde ritmische wendingen en pianistische of harmonische effecten. Onder de meest typische voorbeelden daarvan kan Am Meer worden gerekend: 'der Nebel stieg' = stijgende kwint in de melodie; 'das Wasser schwoll' = stijgend tremolo in de instrumentale omlijsting; 'die Möwe flog hin und wieder' = een octaafsprong in de melodie suggereert het 'hin und wieder'; 'fielen die Tränen nieder' = accenten illustreren het vallen van de tranen, terwijl de harmonisatie met chromatische verlagingen de intense smart uitdrukt.
Schubert wil echter als componist niet op tirannieke wijze over de tekst heersen; hij past zich aan bij elke tekstdichter en bij de stemming van elk vers. Daardoor herhaalt hij zich nooit en wordt zijn liedkunst, ondanks het grote aantal werken, nooit eentonig. Muzikale en literaire gedachten groeien volkomen samen. Bij dat alles laat Schubert zich niet door wijsgerige overwegingen leiden. Hij vertrouwt volkomen op zijn spontane intuïtie, zodat vele van zijn liederen a.h.w. de afdruk zijn van een al dan niet bewuste belevenis. Zijn liedkunst berust op stemmingen en aanvechtingen, niet op betogende expressie, zoals de latere, hoogromantische liedkunst. Wèl heeft Schubert de weg aangewezen waarlangs het Duitse lied zich verder zal ontwikkelen, maar het spreekt vanzelf dat zijn opvolgers (Schumann, Brahms, Strauss e.a.) elk een eigen karakter aan dat lied gegeven hebben. Toch blijft het Schuberts historische betekenis dat hij de grondslag legde voor de inkeer, de zelfbezinning en de synthese van tekst en melodie, van melodie en instrumentale omlijsting, die de grootheid van de Duitse romantische liedkunst blijven uitmaken. In totaal componeerde Schubert meer dan 600 liederen, waarvan ruim 100 meerstemmig.

Kerkmuziek

De kerkmuziek heeft geen liturgische toon in de strikte zin van het woord, maar is afgestemd op melodische aantrekkelijkheid en straalt een innerlijke opgewektheid uit die men werelds zou kunnen noemen wanneer men geen rekening hield met de specifieke religiositeit van zijn tijd, die veeleer op subjectieve gevoeligheid dan op transcendentale ingetogenheid gegrondvest was. Kenmerkend voor de mens Schubert was, dat hij in het Credo van al zijn missen de zin 'et unam sanctam catholicam et apostolicam ecclesiam' wegliet. In sommige missen legt Schubert zich toe op contrapuntiek en past hij fugerende inzetten toe, o.a. in de Mis in Es uit 1828. Dit blijven echter vrij kunstmatige elementen, waarin men nochtans een aankondiging kan zien van de romantische pseudo-barokstijl, die Mendelssohn later in zijn oratoria verder zal uitwerken.

Theaterwerk

Schubert heeft elf voltooide en zes onvoltooide werken voor het toneel nagelaten. Gedurende zijn hele leven heeft hij succes op dit gebied nagestreefd, maar nooit verkregen, niet in het minst vanwege de vaak slechte libretti waar hij, bij gebrek aan beter, genoegen mee moest nemen. Daarbij komt dat zijn toneelmuziek wel de lyrische klank van de vroege liederen bezit, maar veelal dramatische spanning mist. Zo is het begrijpelijk dat alleen de scènemuziek bij Rosamunde, vaak los van het toneel, betekenis heeft behouden.

Pianomuziek

De pianomuziek kan worden ingedeeld in sonates en kleinere werken. De sonates zijn naar vorm classicistisch, met liedachtige passages en Beethoveniaanse elementen in de pianotechniek, die soms orkestrale effecten oproept. De kleinere werken (Impromptu's en Moments musicaux, ) zijn meestal in instrumentale liedvorm of in variatievorm opgevat en berusten op een geconcentreerd thematisch materiaal, met veel charme uitgewerkt. Deze composities vormen historisch het uitgangspunt van de zgn. intieme of huiselijke pianomuziek, die een gedeelte van de romantische pianoliteratuur uitmaakt (bijv. Mendelssohns Lieder ohne Worte of Griegs Lyrische Stücke). Hoofdzakelijk in deze categorie vallen ook de vele werken voor piano vierhandig, waaronder de zeer geliefde Fantasie in f.

Kamermuziek

Schubert begon al heel vroeg strijkkwartetten te componeren voor gebruik in de eigen familiekring en voltooide er tijdens zijn leven 17; daarnaast schreef hij m.n. het bekende Octet in F en, kort voor zijn dood, het aangrijpende Strijkkwintet in C. Zijn kamermuziek berust op verruiming van de classicistische vormverhoudingen, lenige ontplooiing van lange melodieën en een zangerige, meestal homofone verdeling van de partijen. Voor sommige werken ontleende hij thema's aan zijn liederen: het Forellenkwintet, het strijkkwartet Der Tod und das Mädchen.

Orkestwerk

Het orkestwerk is vooral belangrijk door ouvertures en symfonieën. De vorm wordt gekenmerkt door de uitbreiding en het losser komen van het classicistische plan. Het thematische materiaal is uitgebreid en gevarieerd; sommige thema's lijken op liedfrasen. In de doorwerking wisselen motivische arbeid, thematische herhalingen en variaties elkaar af, waardoor het werk soms een liedachtig karakter verkrijgt. De harmonisatie en orkestratie, in de vroege werken soms nog wat vlak, worden vanaf de Vierde symfonie (de 'Tragische') kleurrijker en expressiever, vooral door contrasten van hout- en koperblazers. Er is nog geen sprake van compacte groepsvorming: op een wisselende achtergrond van strijkers en blazers ontwikkelen afzonderlijke instrumenten of partijen het thematische materiaal in een solistische samenspraak. Zowel naar structuur als naar expressie is de 'Unvollendete' symfonie een orkestraal meesterwerk. De lyriek van de melodie heeft een stemmingsrijke toon verkregen, waardoor de uitdrukking verinnerlijkt is. Het thematische materiaal wordt op enkele hoofdgedachten geconcentreerd, en alhoewel de thematiek een brede, zangerige snit behoudt weet Schubert in de doorwerkingen een levendige motivische concentratie te verkrijgen. Het spel met de muzikale ideeën verkrijgt bovendien reliëf door een harmonisatie met gespannen modulaties en door een meesterlijk afwegen van de timbres in de orkestratie. De Unvollendete vormt een boeiende synthese van melodische declamatie en instrumentale architectuur, een synthese ook van weemoed en blijheid, van bezinning en musiceervreugde. Als zodanig vormt deze symfonie een waardig afscheid van de vroeg-romantiek. Hoogtepunt van Schuberts symfonisch werk is echter ongetwijfeld de 'Grote' symfonie in C die hij een halfjaar voor zijn dood beëindigde. Tijdens zijn leven als 'onspeelbaar' terzijde geschoven, werd deze symfonie in 1839 voor het eerst door Felix Mendelssohn ten gehore gebracht, na te zijn herontdekt door Robert Schumann, die haar niet slechts als een voortzetting van de Unvollendete beschouwde, doch zonder meer als een meesterwerk van de symfonische literatuur, waarin de compositorische idealen van het classicisme en de romantiek volmaakt samenkomen.

Vorige pagina  Volgende pagina